Dienstmededeling

12 06 2007

Toen ik dit blog lanceerde, bijna exact een week geleden, verwachtte ik een aantal dingen. Ten eerste de afkeuring door de vrienden van Smiling Cobra. Ten tweede – en dit onder voorbehoud – de goedkeuring door gelijkgestemden. Immers, het personage van Smiling Cobra, meer bepaald de figuur die via zijn schrijfsels naar boven kwam, sméékte gewoon om een parodie. Wie dat niet inziet, begrijp ik niet.

Via een aantal stukjes heb ik gepoogd in parodiestijl de typische trekjes van Smiling Cobra uit te vergroten: het – laat ons beleefd blijven :)  - verstandig omgaan met geld, de bijzonder korte en ontvlambare lont, het zichzelf op een voetstuk plaatsen, de scheldtirades tegen karakters om vaak onbenullige redenen… Wie deze trekjes nooit heeft opgemerkt in Smilings stukjes is blind of heeft ze nooit gelezen.

Wat ik absoluut niét verwacht had, ruwweg een week geleden, waren de opwerpingen hier en daar als was dit blog plagiaat, een overname van Smilings pennevruchten, het teren op zijn succes… Blijkbaar was de titel ervan, de naam van ondergetekende, de bijna volledige kopie van de oorspronkelijke blog, de referentie naar de film en boek “The Shining” (het boek is beter, by the way), het fotografisch materiaal met een dikke knipoog naar dezelfde creatie door Stephen King, het stukje info onder, euh, ‘Info’, blijkbaar was dat alles niet voldoende om meteen duidelijk te maken dat het hier ging om een parodie.

Voor ik het vergeet: de definitie(s) van parodie. Want velen onder de bloggers lijken hier toch echt geen idee van te hebben. Eén blogger bestond het zelfs welhaast de volledige definitie van het fenomeen te declameren, maar zag het niet (bedankt voor de inspiratie voor ‘Net Hoet’). Gehaast kwam iedereen langs bij de receptie, visitekaartjes werden gretig rondgestrooid, iedereen was dolblij met de terugkeer van de kijkcijfer-Sint. Niemand viel het op dat Reddy De Mey daar toch wel echt niet op zijn plaats was, evenmin als de zelfspot en vooral de  humor. Reddy daar gelaten kan een Smiling-lezer toch moeilijk beweren dat zelfspot en (sarcastische) humor in uitbundige mate te vinden waren in zijn stukjes.

En toen rezen de eerste twijfels. De dichter uit klompenland, altijd te vinden voor een stukje intiem gemediteer en het streven naar waarachtigheid, openheid en vrijheid, riep iedereen op terstond het virtuele pand te verlaten en had het over een ”naargeestige misleiding”. Enfin, leest u het zelf maar na, het comment is nog te vinden. O ja, de hoeder van de individuele vrijheid raadde ook aan om deze blog maar te verwijderen uit de links. Best wel handig, iemand die beslist in uw plaats.

Als er één iets duidelijk(er) geworden is, dan is het dat blogland niet klaar is voor een parodie. En voor humor met een randje. Dit zeg ik niet met verbittering. Het is een vaststelling. Ondergronds was Smilings ‘invloed’ ook merkbaar. Posts werden aangepast, anonieme commentators uitten hun ongenoegen en waarschuwden zelfs (“U weze gewaarschuwd”). Allemaal vrij en blij en open, nietwaar. Flagrantst van al is het commentaar van een Smiling-fan (ik vroeg me al af waar hij bleef) die ergens verfijnd meldde: “Ik heb die triestgaard eens ferm mijn gedacht gezegd en hij schijnt het nog begrepen te hebben ook.”

Allemaal onzin natuurlijk, ik heb helemaal niets ontvangen van die man. Mijn antwoord in die zin (ik verzeker u dat het beleefd was en louter gericht aan die persoon) was echter een kort leven beschoren in de openbaarheid. Na een tijdje in de modereer-wachtrij vertoefd te hebben, verscheen het. Om een poosje later weer te verdwijnen. De marionet werd aan het touwtje getrokken. Recht van wederwoord of hoe men het ook wil noemen telt niet als het afkomstig is van iemand wiens link men liever niet op de eigen blog heeft staan. Bedankt, “maat“. Geschiedvervalsing deel 3535

Zielig.

En zo ploeteren we verder, en wat een feesttent lijkt, is eerder een militaire barak, en wat socialiseren lijkt, kruisbestuiving.

Ik heb ervan genoten, de voorbije week. Voor mijn ogen ontpopte zich de karikatuur Smiling Cobra en die deed me af en toe schaterlachen. De voornaamste trekjes heb ik behandeld, meen ik, en het is dan ook tijd om het erbij te laten. Geen theatraal gedoe, geen Basta! of Ik ben razend. Gewoon. Finito. Dit blog blijft bestaan als getuigenis van de blitz-parodiëring van een blogger die er gewoon om vroeg. ‘Comments are closed’. Het ga jullie allen goed.

O ja, en freddy, de uitnodiging blijft gelden! Misschien kan je morgen ergens kwijt hoe je Shining Cobra onder de knie hebt gekregen, niemand zal je tegenspreken in Cobraland. Muwahahahahaha.

Kom Menno, we zijn hier weg.





Zillepezers

11 06 2007

Als er iets is dat mij doet steigeren, dan is dat wel arrogantie. Verwaandheid, hoogmoed, snobisme… eigenschappen die mij spontaan naar het kotszakje doen grijpen. Dergelijke onhebbelijkheden zijn louter het gevolg van verdrongen en verborgen frustraties. Als ik nog maar aan dergelijke lui denk, schieten mij allerlei niet bestaande Nederlandse scheldwoorden te binnen. Zillepezers zijn het, krikkewinders, leverpossen!

Gisteren toog ik naar de supermarkt, getooid in mijn militaire uniform stijl Khadafi. Op mijn verzoek had Menno vlaggetjes bevestigd op de hoeken van mijn omgebouwde lijkwagen genaamd Chantal. Voor grotere boodschappen zijn we wel genoopt op Chantal een beroep te doen, omdat de koets wat te klein uitvalt voor al het gekochte proviand.

Toen we met ons afgeladen winkelkarretje bij de kassa’s arriveerden, vonden we er maar een paar open. ‘Dat wordt aanschuiven’, zuchtte ik. Elke week stuurde ik een brief naar het hoofdbestuur van deze supermarktketen met de vriendelijke doch dringende vraag om mij, als meest gedistingeerde dorpsgenoot, een eigen kassa te verlenen of dan op zijn minst een kassa speciaal te openen voor mij. Waarschijnlijk moet dit dossier verscheidene kanalen doorlopen, want ik heb nog niets van hen mogen vernemen.

Omdat het altijd beter is zo nauw mogelijk aan te sluiten in een wachtende rij schuifelde ik van tijd tot tijd voetje voor voetje naar voren. Voor mij bevond zich een deerne van een jaar of 23. Op zeker moment schoot een boerse kerel zich langs de wachtenden door en viste een mandje mee van onder de loopband. Tijdens die vliegensvlugge handeling beroerde zijn arm of zijn mandje de bips van de 23-jarige troela.

Met vliemende ogen draaide ze zich om. ‘Wie denk je wel dat je bent?’, siste ze, ‘jij vieze lelijke oude vent!’. Nu kan ik veel hebben, ik ben van geen kleintje vervaard en ik laat door niemand met me sollen, door niemand! Maar dit onooglijke prutkutje ging nu toch wel te ver in haar gissingen en veronderstellingen. ‘Ik ben de meest gedistingeerde dorpsgenoot en jij bent een prutkutje’, begon ik kalm. Het is altijd beter om het fatsoen en respect in alle omstandigheden te bewaren. Want anders riskeert men andermans respect te verliezen.

‘Jij verwaande smerige slet!’, ging ik door. ‘Als ik je echt had willen bepotelen, dan had het heus niet aangevoeld als een handvat van een mandje!’. Nu raakte ik pas goed op dreef. ‘Nee, dan had het zó gevoeld’ – ik kneep voluit in haar borsten, ze zou haar lesje wel leren, ‘en dan had het ook zó gevoeld’, krijste ik, en mijn hand greep naar haar kruis.

Toen voelde ik een lichte por in mijn rug. Menno gaf aan dat ik wat meer kon opschuiven naar voren en haalde me zo bruut uit mijn gedagdroom. Het wicht voor me was aan de beurt. Ze deponeerde al haar waren op de loopband en plaatste dan netjes het ‘Volgende klant’-bordje op de band. Tijdens die handeling wierp ze me een glimlach toe. Maar die verdween als sneeuw voor de zon toen ze de waanzinnige glans in mijn ogen bemerkte.

Menno wou net ons karretje beginnen leegmaken op de band toen een pronterige dame ons in het smalle gangetje voorbij donderde. Ze had weliswaar maar één artikel bij, maar dat kon mijn woede niet temperen. ‘Pardon, maar doet u dat thuis ook?’, brieste ik. ‘Wat?’, sprak ze, ik meende een Duits accent te horen. ‘Jij truttige trien, denk maar niet dat je hier zomaar voor zal kruipen!’. Ik greep haar vast en trok haar achteruit. Iemand hielp haar echter uit mijn greep. ‘Menno?!’, blies ik verontwaardigd, ‘wat…?’.  Het wicht voor me keek me strak aan en reikte haar hand naar de pronterige dame. ‘Hier, ma, geef maar’, zei ze.





Kiespijn

10 06 2007

Deze morgen ging ik stemmen.

Tot mijn ontzetting waren er geen fotografen aanwezig om mijn depositie op de gevoelige plaat vast te leggen.





Langs de vaart

9 06 2007

Sommige dagen maken je maar al te duidelijk onder wat voor ongelukkig gesternte je eigenlijk wel geboren bent. Deze ochtend was het weer van dat. Eens te meer werd ik getroffen door het noodlot in al zijn zwartgalligheid. Een zoveelste ramp geschiedde mij. Vertwijfeld bedacht ik dat Job verdomd een gelukzak was, vergeleken met mij. Getuite tranen huilend zeeg ik verslagen neer op mijn bedsprei, na eerst negen katten weggejaagd te hebben. Het lukte me pas om wat te bedaren toen Menno zei: ‘Maak je geen zorgen, die knoop naai ik er straks wel weer aan’.

Na dat karweitje - Menno is werkelijk een manusje-van-alles, misschien moet ik overwegen om hem wat minder aan te rekenen voor zijn verblijf en volpension – begaven we ons naar ons geliefde plekje nabij het kanaal. In een bocht, waar het waeter haest aen den oever reickt, nestelden we ons op onze vissersstoeltjes. Genietend van het prachtige weer.

Het stuk jaagpad voor ons werd van tijd tot tijd ingenomen door wandelende, skatende en fietsende medemensen. Heimelijk bestudeerde ik Menno. Een rijzige gestalte, wuivende kuif en altijd blij glanzende ogen, blijheid of domheid, moeilijk uit te maken soms. Terwijl hij af en toe streepjes trok op zijn blocnote op mijn aangeven, sprak ik hem toe.

‘Menno’, zo begon ik, ‘in het leven is het heel belangrijk om altijd jezelf trouw te blijven. Je moet jezelf goed inprenten waar je prioriteiten precies liggen en eens je dat weet, moet je ze voor ogen blijven houden, wat er ook gebeuren mag.’ ‘Vier!’. Menno trok nog een streepje en knikte begrijpend.

‘Een van die prioriteiten staat voor iedereen vast en is hetzelfde en dat is respect. Die mag nergens ontbreken want daarop is alles gebaseerd. Bovendien…’, toen zag ik hoe Menno een passerende jonge dame, kortgerokt en met een halsuitsnijding waarvan je hoogtevrees zou krijgen, kwijlend aankeek, ‘verdomme Menno, jij bronstige, ongelikte beer!’, sprak ik hem vermanend toe. ‘Hoe kan ik je nou waarden bijbrengen als je jezelf zo randdebiel gedraagt!’. ‘Vijf!’.

Menno’s wangen kleurden een diep rood en beschaamd schuifelde zijn potlood over het papier. Het water klotste heviger achter ons nu. Straks komt er ons hier een golf helemaal nat spoelen, dacht ik bevreesd en bij voorbaat bejammerde ik reeds mijn onfortuinlijke bestaan.

‘Zes!’.

De warmte van de zonnestralen flirtte met mijn huid. Langzaam nam ik een slok van mijn glaasje koele witte wijn. Ik besloot om voorlopig mijn lessen moraal op te schorten. Menno was er duidelijk niet voor te vinden vandaag. ‘Ach’, filosofeerde ik in mezelf, ‘uiteindelijk vindt elke mens wel zijn weg. Ooit, misschien, zal Menno mijn niveau bereiken en zal zijn hele persoon verlicht en opgeheven worden door de innerlijke kracht, de onwrikbare goedigheid en de immer betrouwbare principes der rechtvaardigheid, menselijkheid en mededogen.’

Ontroerd door mijn eigen woorden, het gebeurt zo vaak, plensde ik een traan. Ik onderbrak mijn mijmeringen en pakte vlug een stok van het stapeltje dat ik naast me verzameld had. Net op het moment dat een wielertoerist, dat vervloekte ras der gewielde wegterroristen, voorbij zoefde in zijn schreeuwlelijke kleuren, gooide ik de stok in zijn wiel. De bolide blokkeerde en de berijder ervan werd met een wijde boog het ruime sop in gekatapulteerd. ‘Zeven!’, riep ik Menno grijnzend toe.





Net Hoet

8 06 2007

Deze morgen belde ik aan bij een vriend. Blijkbaar diende hij net op dat moment dringend ergens heen te gaan, want ik zag hem wegstuiven op zijn fiets. Ik riep nog, maar hij zal het niet meer gehoord hebben. Omdat het niet louter om een beleefdheidsbezoekje ging – ik had iets nodig en dat iets zou geld kosten om het te kopen of te huren en dat is altijd te vermijden – bleef ik aandringen. Na verloop van tijd opende de vrouw van mijn vriend de deur. ‘Voel je je wel goed?’, vroeg ik haar. Ze knikte, lijkbleek en met een verwilderde blik in de ogen.

Met tegenzin liet ze me binnen. Ik weet hoe het gaat, vrouwen, altijd bevreesd dat ze hun huishouden niet perfect genoeg in orde hebben gebracht. En maar goed ook. Als ik ergens kom, tref ik alles graag kraaknet aan. Het is het minste wat je kan doen. Anders is het een flagrant gebrek aan respect, bovendien gruwel ik van het idee dat ik mijn gewaden vuil zou kunnen maken. Toen ik het vrouwmens duidelijk had gemaakt waarnaar ik op zoek was, schokschouderde ze.

In de living trof ik een stel kindmensjes aan. Ze waren een of andere videoband aan het bekijken, luid gierend. Nu vind ik tv kijken in welke vorm ook al waardenverlagend, maar tv kijken zo vroeg op de ochtend is des duivels. Ik nam me vast voor mijn vriend daar de volgende keer over aan te spreken.

Omdat mijn nieuwsgierigheid de bovenhand haalde op mijn afkeer, sprak ik noodgedwongen het schaterende grut toe. ‘Waar kijken jullie naar?’, galmde ik hen toe. De jongste, een petoeter met wilde blonde krullen, wierp een snelle blik op me en mompelde iets in de zin van “druppel”. ‘Druppel?’, dacht ik en toen herkende ik iemand, jawel het was hem, trots omdat ik tenslotte toch wel mijn wereld ken, riep ik uit: ‘Die ken ik! Dat is Jan Hoet, de kunstige curator!’.  Wachtend op de verbaasde blikken van ontzag bij mijn al te jonge publiek snoot ik mijn neus.

Groot was mijn ontzetting toen een kanonnade van gegil, gelach en getier mijn deel werd. Ik voelde mijn hoofd rood worden. Afstoting is één ding, afstoting door een dwaas is wreed. ’Jullie kennen er niets van!’, schreeuwde ik, ‘dit is wel degelijk Jan Hoet, iedereen ziet dat toch!’. Het gepeupel in miniatuurvorm bleef onverstoord doorrazen. Op het scherm zag ik Hoet rondlopen in een museum.

‘Het is Van den Duuuurpel’, krijste de oudste in extase. In stilte wierp ik een klaagzang op over de normvervaging, over twintig jaar weet men zelfs de naam van God niet meer. ‘Ik ben nog niet seniel’, snauwde ik koppig, ‘dit is Jan Hoet, dezelfde haarstijl, dezelfde kleren, je ziét toch dat die man met kunst bezig is!’. ‘Het is een typetje van Chris Van den Durpel, een Vlaamse komiek’, kwam de vrouw van mijn vriend tussenbeide, niet dat iemand om haar bijdrage gevraagd had.

‘Maar…’, instinctief voelde ik dat iets niet klopte, ‘dan pleegt hij eerroof, hij teert op het succes van de échte Hoet, pikken mensen dat dan zomaar?’. ‘Het is een komie-hiek’, benadrukte de vrouw van mijn vriend. ‘Hij imiteert Hoet gewoon om mensen te laten lachen.’ Ik voelde de razernij in mijn buik aangroeien als een op hol geslagen treinstel. ‘En dat vindt men tegenwoordig grappig??’, brieste ik. ‘De Paradijsvogels, dat was pas amusement! Schipper naast Mathilde! Maar dit, dit vind ik walgelijk!’.

Wijdbeens stormde ik de living uit. Op het scherm beet de nep-Hoet met overgave in een boterham-met-choco. Tot mijn verbijstering voelde ik tranen opwellen. ‘Het is een parodie!’, gilde de vrouw van mijn vriend me nog na, maar ik wou het al niet meer horen. Hier kwam ik vast en zeker niet meer terug. Jammer voor mijn vriend, maar die had ik de voorbije twee jaar niet meer gezien, telkens ik hem kwam opzoeken had hij andere verplichtingen, zo is het leven, zo is het toeval. En zo kwam het dat er deze morgen een einde kwam aan mijn dagelijkse bezoekjes bij Freddy.

 

Nep-Hoet!





Buiten westen

7 06 2007

Altijd al was ik een schrijver. Vooral in de wondere wereld der poëzie placht ik me graag te begeven, als een ridder van het woord krachtdadig mijn pen beroerend als was het een zwaard der Rechtvaardigheid. Mijn dichterstalent was wijd en zijd vermaard, vooral dan toch in de eigen straat en bij familieleden. Iedereen herinnert zich nog mijn prille gedicht “Iene miene mutte”, dat louter uit deze drie woorden bestond. Uiteraard was ik nog jong toen ik dit schreef, misschien een jaar of 18.

Ook nu nog lees en schrijf ik poëzie, omdat ik iets wil teruggeven aan de wereld, een soort dank voor het wonder dat heet Ik. Vaak ook lees ik mijn gedachtenkronkelingen voor aan Menno, laat op de avond. De goede ziel wordt er zo rustig door dat hij menig keer zalig in slaap sukkelt, nog terwijl ik aan het lezen ben.

Toen er een heuse poëziewedstrijd georganiseerd werd in mijn dorp, joeg ik alle andere deelnemers terstond de schrik op het lijf toen ik mij inschreef. De enige die ik zag als potentiële concurrent voor de prijs was professor Carlos, een verwarde kluizenaar uit de nieuwe buurt. Carlos noemde zich wel professor, maar het was niemand duidelijk of dat wel echt zo was. Persoonlijk twijfel ik er sterk aan en mijn twijfel betekent bijna zekerheid.

Gisterenavond kwam dan eindelijk de langverwachte prijsuitreiking. Dankzij het goede weer kon het plechtige moment buiten plaatsvinden, op een koer van een schooltje, vol tafels met witte lakens en daarop allerlei versnaperingen en dranken. Ik stond daar wat moederziel alleen – het is eenzaam aan de top – want Menno was de koets aan het wassen. Toen dook professor Carlos plots op naast mij. Daar had ik niet op gerekend. Om de stilte te verbreken, bediende ik me van hét cliché aller tijden: ‘Best wel prettig weer he?’, mompelde ik. ‘Vrij en blij zweeft geelgroen langs de zilveren daken het gevederte het geëngelte dat leeft en beeft onder de blozende wolken. Alaaf alaaf alaaf!’, repliceerde hij.

Daar had ik niet van terug. Wat alcohol kan uitrichten met een mens. Omdat ik me niet langer wou ophouden met iemand van dergelijk allooi  veinsde ik dat ik even het toilet ging opzoeken. ‘Ik ga even het toilet opzoeken’, alzo sprak ik hem dus toe. Hij richtte zijn hemelsblauwe ogen op mij en zei: ‘Strijdend mak verslagen blut alles naakt onder die faire zon geen leestekens naaien mijn wonden dicht met de draad van jouw aarding en steeds, ja steeds glanst het aureool van pure waarachtigheid en geluk en peis en vree landt enkel neer op de gelukzaligen en de milden van geest, gaat en bevrijd uw wind, zegen de bodem met uw klatergoud. Alaaf alaaf alaaf!’ en ik was al op weg.

Na vier toastjes, 3 glazen fruitsap en 2 glazen water was het dan eindelijk tijd voor de proclamatie. Ik trok mijn das recht en bereidde me voor op de bestijging van het podium. Zonder twijfel had mijn gedicht ‘Wie mij niet eert weze gewaarschuwd’ met glans alle andere misbaksels achter zich gelaten. Onder de laatste zonnestralen en een prettige bries sloot ik mijn ogen en hoorde al het oorverdovende applaus dat me te beurt zou vallen. 

De voorzitter van de plaatselijke culturele organisatie Het Spel sprak iedereen toe, een grapje hier, een kwinkslag daar en toen schraapte hij zijn keel en opende een briefje. ‘De winnaar van de Poëziewedstrijd 2007 is…’, ik wierp een steelse blik naar professor Carlos, net op dat moment keek hij naar mij, een monkelende glimlach krulde zich op mijn prematuur zegevierende lippen, hij keek me enkel gelukzalig aan en articuleerde iets, zoals mensen doen die iets duidelijk willen maken met hun lippen, maar zich niet hoorbaar kunnen maken omdat ze zich te ver van je bevinden. Het duurde even maar dan wist ik wat hij wou overbrengen: ‘Alaaf’.

En toen kwam het. ‘… Sofie Verschelde!!’. Het daverend applaus verstilde in mijn hoofd tot een dof gebonk, het bloed stroomde afkerig weg uit mijn aderen. Sofie Verschelde… de dochter van Jeanine de bakkerin, het wicht is begot amper 12 jaar oud! Ademen werd plots moeilijk, ik greep de rand van een tafel vast, voelde me duizelig. En toen werd alles zwart. In mijn val trok ik het laken mee en alles wat erop stond. Net voor ik de grond raakte, kon ik nog professor Carlos zien, die rood aangelopen met een stukgeslagen fles de voorzitter te lijf ging, hem uitscheldend voor rotte vis. En dichterbij, met een medelijdende blik in haar ogen, Sofie Verschelde.





Het vrekkige besje

6 06 2007

Deze morgen werd ik wakker met een plan. Ik liet Menno en de koets thuis en ging op pad met Chantal. Chantal is mijn koosnaampje voor mijn gemotoriseerd vervoermiddel, een oude lijkwagen die ik voor een appel en een ei heb kunnen bemachtigen. Het ding rijdt nog wel aardig, af en toe stoot het een plotse rookwolk uit, maar al bij al hou ik van Chantal.

Toen ik Chantal enkele luttele meters bereden had, bemerkte ik langs de kant van de weg een oude buurvrouw, die op de bus stond te wachten. Toen ze me zag naderen in Chantal, maakte ze terstond een kruisteken. En dat was heus niet omwille van de aard van mijn wagen. Nee, heel vaak overkomt het mij dat mensen dergelijke handeling uitvoeren op het moment dat ze mij naderbij zien schrijden. Soms ook zie ik ze wat woorden prevelen. Ik mag dit graag verklaren als de welhaast religieuze uitstraling van mijn persoon.

Het besje keek opeens de andere kant uit. Ik draaide mijn raampje open en wenkte haar nader. ‘Ik ga wel met de bus’, probeerde ze nog, maar toen ik siste ‘Nou schiet op, stap in!’, dierf ze niet meer te weigeren. Naast een religieuze uitstraling heb ik ook een bijna dwingende eigenschap over me en ik denk dat die beide met elkaar verbonden zijn, ook bij Jezus zag je dat fenomeen.

We vervolgden onze weg, nadat ik haar vergeefs had proberen te overtuigen om achterin plaats te nemen. Maar dat vond ze nog een beetje te vroeg, het wijfje. Zwijgend puften we verder. Toen ze me aarzelend en bedeesd toevertrouwde dat ze eigenlijk op weg was naar het station, om de trein te nemen naar de luchthaven, waar ze haar zoon zou verrassen die overvloog vanuit Albanië, gaf ik geen krimp. Dat wist ik namelijk al, ik had het gisteren opgevangen bij Jeanine, de lokale bakkerin. ‘Ik breng je wel’, zei ik alleen maar, en een mengeling van doodsangst, afschuw en – meest prominent aanwezig – uiterste verbazing kleurde haar pokdalige gezicht.

Toen we de luchthaven naderden, sloeg ik af en reed op een aangrenzend dorp af. De hele weg was het doodstil geweest in mijn lijkwagen. Nu keek het besje me verward aan, toen ik parkeerde naast een kantoorgebouw, een pakje van onder mijn stoel haalde en de wagen verliet. ‘Even een pakje hier afgeven’, mompelde ik haar nog toe, alsof het godbetert ook maar enigszins haar zaken waren.

De rest van de reis verliep min of meer zoals te verwachten was. De luchthaven, parkeren, wachten… Ik dronk een kopje koffie terwijl mijn passagierster met gewrongen handen de infoborden probeerde te ontcijferen. Het was duidelijk haar eerste keer hier en het irriteerde me dat ze niet gewoon ergens aan een balie hulp ging inroepen. Uiteindelijk arriveerde haar zoon, een boertige flurk. Na de gebruikelijke tranerige taferelen konden we dan de terugreis aanvangen, de flurk naast mij en het besje dan toch eindelijk op haar rechtmatige plaats, achterin.

Toen ik moeder en zoon keurig deponeerde aan haar huis begon ze dankwoorden uit te spreken. Die wuifde ik echter grootmoedig weg en, na een snelle berekening in mijn hoofd, meldde ik: ‘Dat is dan 35 euro als het u belieft’. De zilverharige vrouw knipperde met haar ogen en bazelde ‘W-wat?’. ‘35 euro’, herhaalde ik. ‘Maar,’ stamelde ze, ‘u moest toch sowieso in de buurt wezen? Dat pakje…’.

Nu ben ik de kwaadste niet, ik kan best wel wat hebben, ik kan tegen een stootje en ik laat door niemand met me sollen, door niemand! Maar op dat ogenblik werd het me toch wel even te machtig. Wat dacht dat vel over been wel? Dat ik dat alles gedaan had zonder er voor vergoed te worden? ‘35 euro voor het transport, het comfort, de nobelheid van de geste en dubbel tarief voor de terugreis, omdat jullie dan met twee waren, en vlug een beetje!’, beet ik haar toe. Trillend en bevend en helemaal ontdaan gaf ze mij mijn verdiende loon. Mijn hoofd hoog geheven, mijn lange mantel gehoorzaam wapperend rond mijn adellijke ledematen liet ik het duo achter op het trottoir en stapte naar mijn ouwe getrouwe Chantal. Vanuit mijn ooghoeken merkte ik hoe haar zoon mij goedkeurend toeknikte.





Uilengehuil

5 06 2007

Vandaag voel ik me niet kiplekker. Mijn nachtrust werd namelijk ruwweg verstoord vorige nacht. Het moet zowat een uur of drie geweest zijn toen ik plotseling wakker schoot. Mijn ogen waren nauwelijks open of er weerklonk een tweede keer een ijselijke gil in de pikdonkere, muisstille nacht. De gil drong door merg en been en verscheurde de nacht, even verwachtte ik een bijhorende lichtflits, maar het bleef donker. De gil tolde na in mijn hoofd en verontrustte me danig. Waar kwam die gil vandaan? Het leek wel een vrouwenstem. Zou iemand in gevaar verkeren?

Ik had het me alvast zeker niet ingebeeld, want ook Menno leek erdoor wakker geschrokt te zijn, ik voelde hoe zijn lichaam naast me verstijfde. Nu ben ik van geen kleintje vervaard, ik kan best mijn mannetje staan en ik laat niemand met me sollen. Daarom gebood ik Menno om even een kijkje te gaan nemen, buiten. Ondertussen prevelde ik een schietgebedje en schonk me een flink glas Pineau des Charentes in.

Na tien minuten was Menno nog niet terug. Met klamme handen schonk ik me nog een glas in. Nerveus nam ik een van mijn katten beet en begon die fervent te aaien. Nog steeds geen Menno te bespeuren. De kat begon onrustig te kronkelen. Ongemerkt had mijn verstrooide geest de aaibeweging opgevoerd en mijn handpalm begon al gloeiend heet aan te voelen. De drank legde een behaaglijk dekentje over de grillige piekerrotsen in mijn hoofd, tijd om nog eens bij te vullen. Santé!

Nog eens twintig minuten later kon ik het niet meer uitstellen, ik moest naar buiten. Kijken waar Menno was, als de ijselijke gil hem maar niet gevangen heeft! ‘Onzin’, sprak ik mezelf lispelend toe, ‘een gil kan toch niet niemand … niet iemand vangen’. Die woorden brachten me weer wat tot kalmte. Mijn voorhoofd gloeide alsof Satan hemzelve er net op geplast had. Tastend schuifelde ik over de slapende grond. Ik zag geen hand voor mijn ogen en de frisse nachtlucht danste een duizelingwekkende tango met mijn iele dronkenschap.

Was het de drank, de duisternis of mijn eeuwige klungeligheid? In ieder geval, ik struikelde. Over iets. Op de grond. Met bonkend hart gingen mijn vingers op onderzoek uit. ‘Potverdorie, Menno!’, riep ik uit. ‘Wat lig jij nu gatverdamme hier te slapen op de grond, in open lucht?!’. Menno sprong recht, verdwaasd en in de war.

En op dat eigenste moment, vlak bij ons hoofd, een derde keer die vreselijke gil, akelig en naargeestig en schril. Instinctief sprong ik bij Menno op schoot. Toen ik bij die handeling tegen een groot lang voorwerp aanbotste, lachte hij schaapachtig en haalde het ding boven. Een zaklamp. Hij scheen ermee in het rond en toen werd het raadsel opgelost.

Een uil. Het was een uil, ginds boven in die boom. Zijn grote ronde ogen keken ons spottend aan, ik had zin om die uil eens goed de les te spellen, maar uilen kan je niets wijsmaken. Ontstemd daalde ik uit Menno’s armen neer, de spanning had me nu echt wel heel erg ‘tipsy’ gemaakt. ‘Menno’, stamelde ik en opeens wist ik niet meer wat ik daar deed, in het holst van de nacht, in mijn pyjama, onder de bomen, ‘Menno ik ga slapen en durf me niet meer wakker te maken!’.

Ik liet hem achter en strompelde terug naar het huis, onzinnige woorden declamerend. De uil keek me na en knikte goedkeurend.





Vuiligheid!

4 06 2007

Deze middag, tijdens mijn dagelijkse ochtendwandeling, bemerkte ik langs de weg, in de berm en in het struikgewas volgende afvalstukken:

  • 34 sigarettenpeukjes
  • 57 stukjes papier (briefjes, krantenpapier…)
  • 22 verpakkingsresten
  • 399 lege blikjes (bier, frisdrank…)
  • 579 hondendrollen (stuk per stuk geteld, diarree werd geteld als 3 drollen)
  • 2 tampons
  • 18 gebruikte condooms (in 2 gevallen zat de gebruiker er nog aan vast)
  • 1 fiets
  • 883 stukjes kauwgom
  • 398 fluimen
  • 1.948 exemplaren vogelpoep
  • Reddy De Mey (!)
  • 3.483 stukjes etensresten, van allerlei aard.

Uiteraard werd de telling niet door mezelf uitgevoerd, daarvoor deed ik een beroep op Menno, mijn betrouwbare menner, butler, loopjongen, technicus, persoonlijke assistent, reisleider, boekhouder en kleermaker. Omdat we beseften dat onze missie een hele klus zou worden, hadden we onze voorzorgen genomen en een heuse picknickmand meegebracht. Zo konden we onder het stralende zonnetje af en toe pauzeren en wat versnaperingen tot ons nemen (Menno fungeert ook – was ik vergeten te vermelden – als mijn voorproever).

Reddy De Mey was ook voor ons een hele verrassing. Blijkbaar had hij in de buurt een feestje meegemaakt en was hij daarna verdwaald, waarop hij dan maar besloot de nacht door te brengen in de gracht. Toen ik hem vertelde wie ik was, zeeg hij neer en kuste terstond mijn voeten. Ik verzekerde hem dat dergelijke geste absoluut niet vandoen was, zelfs niet voor iemand als ik, maar voelde me toch in mijn nopjes.

Op dat moment – voorwaar, ik zeg u, mijn momenten van glorie worden telkens weer vergald – verscheen er een kwajongen, van het type scout, het soort dat later opgroeit tot inbreker en dief, of erger. De schelm staarde naar ons tot ik het niet meer kon verdragen. ‘Staren is onbeleefd’, sprak ik tot het boefje. Het gespuis van kleine gestalte gaf geen krimp, maar repliceerde ‘Als jullie toch zoveel moeite doen en zoveel tijd spenderen, waarom dan niet meteen een deel van de rotzooi opruimen?’.

Ik ontplofte bijna. Het jonge secreet had het lef om onze missie zo in de vernieling te praten. Wij deden immers aan sensibilisering! Het kreng wist ongetwijfeld zelfs niet wat ’sensibilisering’ betekende. Dat zei ik hem ook. ‘Wij doen aan sensibilisering, kreng! Je weet ongetwijfeld niet wat dat betekent!’, brieste ik.

De knul keek ons aan, haalde de schouders op en verdween. En maar goed ook! We vervolgden ons pad en onze missie. Reddy De Mey keek ons na, goedkeurend knikkend.





Monotonie

4 06 2007

Gisteren begaf ik me naar de supermarkt. Wat had ik weer veel bekijks in mijn riante cape terwijl de menner de gouden koets behendig door de smalle dorpsstraatjes loodste. Het is trouwens niet zo eenvoudig om een koets in een smalle parkeerplaats kwijt te raken, en al zeker niet zonder dat een of ander onderdeel van het koetsgestel een paar forse strepen trekt op het koetswerk van nietsvermoedende auto’s ernaast.

Dat gebeurde ook nu dus. Gelukkig heeft mijn menner al heel wat ervaring, hij had dus alle mogelijke kleuren mee in kleine verfpotjes en een fijne kwast, waarmee hij vakkundig de aangerichte schade verdoezelde vóór de rechtmatige eigenaars van de vehikels het gebeurde zouden opmerken. Ik mag absoluut niet klagen over Menno, mijn betrouwbare menner, butler, loopjongen, technicus, persoonlijke assistent, reisleider, boekhouder en kleermaker. Vooral niet als je bedenkt dat ik hem ooit voor een prikje op de kop heb kunnen tikken bij Poverello. Twintig jaar geleden, in ruil voor een zak nieuwe aardappelen van 5 kilogram, het was wel wat zuur geven – ik kon die patatten ook zelf wel baas – maar kom, gedane zaken nemen geen keer.

Ik liet Menno achter met zijn kwastje en zijn opkalaverbezigheden en schreed de supermarkt binnen, enkele in de weg lopende kindermensjes uit mijn baan vegend met de wijds uitlopende mouwen van mijn mantel. Toen ik enkele kassa’s voorbij zweefde, zag ik enkele kassiersters de blik ten hemel slaan en elkaar met pruilende onderlip aankijken. Jawel, dergelijke indruk laat ik na op het minder fortuinlijke gepeupel.

Ik was net aan het grasduinen in de grote kist vol voorwerpen die voor slechts één euro aangeboden werden – de koning te rijk – toen iets aangekondigd werd over de intercom. De precieze boodschap weet ik niet meer, interesseerde me ook niet, maar wat me trof, was de ongehoord monotone stem waarmee de omroepster haar ding deed. Alles op hetzelfde matte, klamme en zielloze toontje. Gruwelijk gewoon.

Dat kon ik niet over me heen laten gaan. Ik kan veel verdragen, maar eens ze mij erover krijgen, dan hou ik me niet meer in, dan is het land te klein, dan jeuken mijn handen, trillen mijn neusharen en schudden mijn schubben. Meteen richtte ik me tot het onthaal, waar de bediende een al even lusteloze indruk gaf. ‘Leid me naar de omroepster!’, maande ik haar aan en even dacht ik dat ze eindelijk gehoor gaf aan mijn order, maar neen, ze riep de man van de beveiliging, een reus van een kerel in een wit hemd en met een rode das aan.

Zijn naam, zo lichtte mij de op zijn borst gepinde badge in, was Timmy. In perfecte  volzinnen, intelligent, doordacht en logisch, legde ik de situatie uit aan Timmy. Bijna vier minuten lang. Tot de onthaalbediende me onderbrak – het lef! – en me vertelde dat Timmy doof was.

Toen brak mijn kruik. Zo goed en zo kwaad als ik kon, maakte ik Timmy duidelijk dat ik het etablissement waar hij zich bevond, nooit meer zou bezoeken en dat het een pure schande was hoe de klant daar werd behandeld. ‘Wie weet wat voor psychologische schade het verplicht aanhoren van die monotone stem aanricht bij de klanten? Dat is toch godgeklaagd!’, beet ik Timmy toe.

En toen moest ik plots dringend plassen. Timmy was bleek geworden en de onthaalbediende zat zachtjes te grienen. Ik was eerst niet van plan te betalen voor mijn plasbeurt – 40 centen om je blaas te ledigen, schandalig! – maar ik gooide ten slotte toch twee stukken van 20 cent in de schaal van de toiletdame. Maar pas nadat ik haar ertoe had gedwongen om mij bij mijn aftocht goedkeurend toe te knikken.