Net Hoet

8 06 2007

Deze morgen belde ik aan bij een vriend. Blijkbaar diende hij net op dat moment dringend ergens heen te gaan, want ik zag hem wegstuiven op zijn fiets. Ik riep nog, maar hij zal het niet meer gehoord hebben. Omdat het niet louter om een beleefdheidsbezoekje ging – ik had iets nodig en dat iets zou geld kosten om het te kopen of te huren en dat is altijd te vermijden – bleef ik aandringen. Na verloop van tijd opende de vrouw van mijn vriend de deur. ‘Voel je je wel goed?’, vroeg ik haar. Ze knikte, lijkbleek en met een verwilderde blik in de ogen.

Met tegenzin liet ze me binnen. Ik weet hoe het gaat, vrouwen, altijd bevreesd dat ze hun huishouden niet perfect genoeg in orde hebben gebracht. En maar goed ook. Als ik ergens kom, tref ik alles graag kraaknet aan. Het is het minste wat je kan doen. Anders is het een flagrant gebrek aan respect, bovendien gruwel ik van het idee dat ik mijn gewaden vuil zou kunnen maken. Toen ik het vrouwmens duidelijk had gemaakt waarnaar ik op zoek was, schokschouderde ze.

In de living trof ik een stel kindmensjes aan. Ze waren een of andere videoband aan het bekijken, luid gierend. Nu vind ik tv kijken in welke vorm ook al waardenverlagend, maar tv kijken zo vroeg op de ochtend is des duivels. Ik nam me vast voor mijn vriend daar de volgende keer over aan te spreken.

Omdat mijn nieuwsgierigheid de bovenhand haalde op mijn afkeer, sprak ik noodgedwongen het schaterende grut toe. ‘Waar kijken jullie naar?’, galmde ik hen toe. De jongste, een petoeter met wilde blonde krullen, wierp een snelle blik op me en mompelde iets in de zin van “druppel”. ‘Druppel?’, dacht ik en toen herkende ik iemand, jawel het was hem, trots omdat ik tenslotte toch wel mijn wereld ken, riep ik uit: ‘Die ken ik! Dat is Jan Hoet, de kunstige curator!’.  Wachtend op de verbaasde blikken van ontzag bij mijn al te jonge publiek snoot ik mijn neus.

Groot was mijn ontzetting toen een kanonnade van gegil, gelach en getier mijn deel werd. Ik voelde mijn hoofd rood worden. Afstoting is één ding, afstoting door een dwaas is wreed. ’Jullie kennen er niets van!’, schreeuwde ik, ‘dit is wel degelijk Jan Hoet, iedereen ziet dat toch!’. Het gepeupel in miniatuurvorm bleef onverstoord doorrazen. Op het scherm zag ik Hoet rondlopen in een museum.

‘Het is Van den Duuuurpel’, krijste de oudste in extase. In stilte wierp ik een klaagzang op over de normvervaging, over twintig jaar weet men zelfs de naam van God niet meer. ‘Ik ben nog niet seniel’, snauwde ik koppig, ‘dit is Jan Hoet, dezelfde haarstijl, dezelfde kleren, je ziét toch dat die man met kunst bezig is!’. ‘Het is een typetje van Chris Van den Durpel, een Vlaamse komiek’, kwam de vrouw van mijn vriend tussenbeide, niet dat iemand om haar bijdrage gevraagd had.

‘Maar…’, instinctief voelde ik dat iets niet klopte, ‘dan pleegt hij eerroof, hij teert op het succes van de échte Hoet, pikken mensen dat dan zomaar?’. ‘Het is een komie-hiek’, benadrukte de vrouw van mijn vriend. ‘Hij imiteert Hoet gewoon om mensen te laten lachen.’ Ik voelde de razernij in mijn buik aangroeien als een op hol geslagen treinstel. ‘En dat vindt men tegenwoordig grappig??’, brieste ik. ‘De Paradijsvogels, dat was pas amusement! Schipper naast Mathilde! Maar dit, dit vind ik walgelijk!’.

Wijdbeens stormde ik de living uit. Op het scherm beet de nep-Hoet met overgave in een boterham-met-choco. Tot mijn verbijstering voelde ik tranen opwellen. ‘Het is een parodie!’, gilde de vrouw van mijn vriend me nog na, maar ik wou het al niet meer horen. Hier kwam ik vast en zeker niet meer terug. Jammer voor mijn vriend, maar die had ik de voorbije twee jaar niet meer gezien, telkens ik hem kwam opzoeken had hij andere verplichtingen, zo is het leven, zo is het toeval. En zo kwam het dat er deze morgen een einde kwam aan mijn dagelijkse bezoekjes bij Freddy.

 

Nep-Hoet!